Docent

Een psychische aandoening kan de mogelijkheid om goed te kunnen functioneren op school beïnvloeden, soms is dat ook niet het geval. Als een aandoening invloed heeft op het functioneren, zoals bijvoorbeeld concentratie problemen of moeite met sociale contacten, is de student zich er waarschijnlijk wel bewust van.

Het kan ook zijn dat de student of de docent(en) nog geen direct verband heeft gelegd tussen zijn aandoening of handicap en de moeite om goed te kunnen functioneren op school.

Hieronder een lijst van veel voorkomende vragen van docenten.
Het is zeker geen complete lijst. Er zijn veel verschillende psychiatrische aandoeningen, en wat voor de een telt kan voor een ander net weer anders uitpakken.

Veel voorkomende vragen voor docenten en:

Vraag 1: Hoe weet ik of een student/leerling een psychische beperking heeft?
Antwoord: Als iemand om een aanpassing vraagt op grond van psychische beperkingen zal hij meestal al contact hebben met een decanaat, steunpunt of iets dergelijks in de school. Als men zich daar aanmeldt wordt doorgaans gevraagd naar een arts, behandelaar of verwijzer en wordt geverifieerd of er werkelijk sprake is van psychische beperkingen

Vraag 2: Een student is open over zijn psychiatrische beperkingen, wat voor informatie heb ik nodig en hoe krijg ik die?
Antwoord: Een losstaand symptoom of een eenmalige gebeurtenis is slechts zelden een teken van een psychiatrische aandoening. Als symptomen echter vaker voorkomen, als ze wekenlang aanhouden of als ze echt onderdeel worden van iemands gedrag, kan dat een teken zijn van een ernstiger psychiatrisch probleem dat behandeld moet worden. Een aantal van de belangrijkste indicatoren van een psychiatrische aandoening zijn:

Vraag 3: Hoe herken ik in onderwijs signalen van een psychiatrische problematiek?
Een opvallende verandering van de persoonlijkheid in de loop der tijd
Verwardheid: rare ideeën of grootheidswaan
langdurige en sterke gevoelens van depressiviteit of apathie
afwisseling van een extreem goed – en een extreem rotgevoel
toenemende angsten, woede of argwaan en anderen de schuld geven
sociale teruggetrokkenheid, minder vriendelijkheid, toegenomen egocentriciteit
het ontkennen van overduidelijke problemen en sterke weerstand tegen aangeboden hulp
misbruik van middelen
denken of praten over suïcide.

Vraag 4: Hoe staat een psychiatrische aandoening het functioneren op school in de weg?

Psychiatrische aandoeningen kunnen het functioneren op verschillende manieren bemoeilijken. Veel van deze aandoeningen beïnvloeden het vermogen om bepaalde dingen te doen, zoals denken of met anderen omgaan. Vaak kunnen de betrokken student of zijn hulpverleners aangeven wat voor hem de specifieke functiebeperkingen zijn. Hieronder staat een opsomming van activiteiten waarmee mensen met psychiatrische aandoeningen moeite kunnen hebben. Er zijn veel verschillende psychiatrische aandoeningen en deze lijst is niet volledig. Onderstaande beperkingen zijn vanzelfsprekend niet van toepassing op iedereen die een dergelijke aandoening heeft.

Prikkels uit de omgeving negeren – het kan dan gaan om dingen die men hoort, ziet of ruikt en het concentreren op een taak bemoeilijken.
Voorbeeld: Een student kan een lezing niet volgen omdat hij bij een zoemende ventilator zit. Of iemand kan niet studeren omdat er veel verkeer langs komt. Mogelijke oplossingen: neem de prikkels weg (zet bij voorbeeld de ventilator uit) of zorg ervoor dat de student terecht kan in een omgeving zonder dergelijke prikkels.

Geconcentreerd blijven – rusteloosheid, korte aandachtsboog, snel afgeleid, vergeten van mondelinge aanwijzingen.
Voorbeeld: Een student kan er moeite mee hebben zich voor langere tijd op één taak te concentreren, kan het moeilijk vinden om cursusmateriaal te lezen en te onthouden of kan de mondelinge instructies vergeten tijdens een examen of bij een oefening in de klas. Mogelijke oplossingen: Splits grote projecten op in kleine taken, sta toe dat er vaker een korte pauze genomen wordt om even te strekken, rond te lopen of een luchtje te scheppen, verwijs de student naar een studiecoach (tutor) die kan helpen bij het gebruiken van studievaardigheden en bij het onthouden van informatie, schrijf taken één voor één op, schrijf instructies op het bord.

Volhouden – voldoende energie hebben om de hele dag op school te zijn, vechten tegen sufheid door medicatie.
Voorbeeld: een student is niet in staat om een studie full-time te doen, of om in één keer een lang examen te doen. Mogelijke oplossingen: laat iemand de studie in deeltijd doen, splits een examen op, zodat iemand ’s ochtends het eerste deel kan doen en ’s middags het tweede.

Omgaan met tijdsdruk en met meerdere taken tegelijkertijd; afspraken maken en nakomen, werk tijdig af hebben, taken prioriteren.
Voorbeeld: een student kan niet beoordelen welke taak hij eerst moet doen of is niet in staat opdrachten op tijd in te leveren. Mogelijke oplossingen: grote opdrachten en projecten opsplitsen in stukken die men wél aan kan, verspreid een studiegids waarin alle vakken, opdrachten en data vermeld staan zodat de studenten het werk beter kunnen verdelen en plannen.

Omgaan met anderen – met elkaar optrekken, erbij horen, een praatje maken met medeleerlingen, de sfeer proeven.
Voorbeeld: een student kan het moeilijk vinden met anderen te praten, om aantekeningen te vragen of een opdracht te bespreken, mee te doen in de klas, medestudenten te ontmoeten buiten de school of een praatje te maken in de pauzes. Mogelijke oplossingen: Koppel de student aan een mentor of maatje die hem voor kan stellen aan anderen of die voor kan doen hoe je het aanpakt.

Reageren op negatieve feedback – kritiek of slechte beoordelingen begrijpen en interpreteren, niet weten hoe je het beter moet doen of hoe je iets kunt veranderen ten gevolge van een slecht zelfbeeld.
Voorbeeld: een student lijkt feedback niet te begrijpen, raakt overstuur als hij kritiek krijgt op zijn werk, of wil van school gaan na een slecht examencijfer. Mogelijke oplossingen: vraag de student eerst zelf hoe hij vindt dat hij het gedaan heeft, noem zowel sterke als zwakke punten, geef tips voor verbetering, geef feedback schriftelijk zodat de student het kan lezen als hij alleen is en bespreek het later, geef alle studenten de mogelijkheid hun cijfer op te halen door vervangende opdrachten of door extra inzet te tonen, indien nodig: organiseer een driegesprek met de student en een begeleider van een steunpunt voor studenten met een handicap (als dat er is) om de feedback te bespreken.

Op veranderingen reageren – omgaan met onverwachte roosterwijzigingen of vervaldata, met verandering van docent of met een verandering in de opdracht.
Voorbeeld: Als de studie-eisen of de docenten gewijzigd worden wordt een student erg gespannen en moet hij zich daar langzaam op instellen. Evenzo als er halverwege het semester opeens iets anders van de student wordt verwacht. Mogelijke oplossingen: bereid studenten zoveel mogelijk voor op te verwachten veranderingen, geef goede uitleg bij nieuwe studie-eisen, introduceer zorgvuldig een nieuwe docent en licht de nieuwe docent in over de specifieke behoeften van de student.

Let er op dat de strategieën die de docent overweegt vooraf met de student worden besproken. Daarbij moet worden gelet op wat de specifieke problemen zijn voor díe bepaalde student en moeten daaraan de mogelijke oplossing en de specifieke omstandigheden worden aangepast.

Vraag 5: Waarom is het belangrijk om op de hoogte te zijn van functiebeperkingen?
Antwoord: Als men mensen met psychiatrische aandoeningen gelijke kansen wil geven in het onderwijs richt men zich op het verminderde functioneren dat het gevolg is van die aandoening. Vervolgens gaat men na welke steun of aanpassingen kunnen worden geboden. Het gaat daarbij niet om het bieden van steun bij gebrekkig functioneren in het algemeen, maar alleen voor zover het voortkomt uit de aandoening. Het is dus belangrijk dat die relatie wordt gelegd.

Vraag 6: Welke aanpassingen in de onderwijsomgeving zijn effectief?
Antwoord: Aanpassingen voor de student kunnen betrekking hebben op de wijze waarop vakken worden gegeven, op het inzetten van hulpmiddelen en ondersteunend personeel en op het wijzigen van de eisen.Als het goed is heeft een school of universiteit zowel de verscheidenheid aan middelen als de flexibiliteit om die steun of diensten te kiezen die effectief zijn. Zulke steun en diensten zouden samen met de betrokken student moeten worden gekozen.

Vraag 7: Moet ik uit mezelf aanpassingen doen, of moet de betrokken leerling/student er eerst om vragen
Antwoord: De student moet wel zelf om de aanpassingen vragen. Mogelijk kan hij daarbij een brief laten zien van een behandelaar. Vervolgens bespreekt men met de student welke aanpassing het beste zou zijn. De aanpassing zou redelijkerwijs gemaakt moeten kunnen worden en zou moeten voorkomen dat de beperking het presteren van de student bemoeilijkt. Een student kan bijvoorbeeld zeggen dat hij een tekst slecht begrijpt en dat dat komt omdat hij tengevolge van zijn aandoening geschreven materiaal slecht kan verwerken. Men kan dan voorstellen het probleem op te lossen door de tekst over te zetten op een bandje.

Vraag 8: Hoe weet ik of een aanpassing redelijk en wanneer is zij overdreven?
Antwoord: Een stelregel is dat de student moet kunnen voldoen aan de essentiële opleidingseisen zonder aanpassingen. Het curriculum of de opdrachten zouden niet zodanig gewijzigd moeten worden dat die eisen niet langer gelden. Wijzigingen in de vorm van een tentamen bijvoorbeeld, of extra tijd toestaan, veranderen niets aan de essentiële eis dat men het lesmateriaal beheerst.

Vraag 9: Hoe bepaal ik of een vraag om een aanpassing onredelijk is?
Antwoord: De aanpassing zou de docent of de school niet onnodig moeten belasten. Als u vindt dat een gevraagde aanpassing onredelijk is, is het het beste dit met de student te bespreken en te onderhandelen over een mogelijke oplossing. Als u er samen niet uitkomt kan wellicht in de school of erbuiten een bemiddelaar worden gevonden.

Vraag 10: Hoe stel ik grenzen en hoe zeg ik tegen iemand dat hij niet goed presteert zonder dat ik die persoon kwets?
Antwoord: Een student met een beperking zou bejegend moeten worden zoals elke andere student. Volg de normale procedure als een student slecht presteert. Maak duidelijk wat de eisen en verwachtingen zijn en beoordeel vervolgens de prestaties. Leg ieder onderdeel van de beoordeling schriftelijk vast. Hieronder staan wat algemene regels voor het ten dienste zijn van studenten met psychiatrische beperkingen.
Stel vast of er een beperking is.
Maak optimaal gebruik van reeds bestaande voorzieningen.
Herken perioden tijdens de studie waarin de student niet actief is en houd daar rekening mee (“stop-out” in plaats van “drop-out”).
Maak duidelijk wat de gedragsregels zijn.
Verwijs naar een steunpunt (als dat er is) en overleg daarmee.· Scheid dingen die met behandeling te maken hebben van dingen die met onderwijs te maken hebben.
Houd de student met beperkingen aan dezelfde gedragsregels als andere studenten.
Help studenten zich van hun eigen verantwoordelijkheden bewust te worden door duidelijk te zijn over regels en eisen.
Stuur studenten met beperkingen niet naar ondersteunende diensten als vorm van straf. Het is weliswaar goed een student die zich misdraagt naar zo’n dienst te verwijzen, maar nooit als een strafmaatregel

(met toestemming een vertaling en aanpassing van “Frequently asked questions by educators about students with psychiatric difficulties”, door Anne Sullivan Soydan van het Center for Psychiatric Rehabilitation, Boston University)